Leestijd: ongeveer 4 minuten

Het is in onze traditie gebruikelijk, dat kerstavond de kerstverhalen van Matteüs en Lucas aan bod komen. En op kerstmorgen het kerstgedicht van Johannes. Want het is een kerstgedicht, al komt er geen stal en geen kindeke Jezus in voor. Vanuit een mystiek perspectief schrijft Johannes wat er in Jezus, die hij het Woord van God noemt, aan de wereld is geschied.

Dat woord… woord van God… het brengt ons altijd weer bij bespiegelingen over de werkingskracht van taal. Ook wel een stokpaardje van mij, zo geef ik toe. Wat is er toch met die Bijbel, de Schriften, dat de generaties voor ons (heus niet allemaal onbenullige onwetende mensen) deze tekst zinvol genoeg vonden om hem aan ons door hebben willen geven? Wat maakt dat wij de oude verhalen als zinvol voor onszelf ervaren? Dat heeft er mee te maken denk ik, dat de Bijbel ons woorden en beelden geeft, die we kunnen gebruiken om over onszelf na te denken. Taal om over onszelf te praten: wat zeg je bijvoorbeeld over jezelf als je lijdt als Job, of vertrouwt als Abraham? Bijbeltaal is in alle opzichten vreemde taal, maar blijkbaar zit er iets in de Bijbelse manier van spreken over mensen dat ons goed doet.

Helaas wordt iedere gevoeligheid voor geloofstaal (ik chargeer een beetje) er als we opgroeien vakkundig uitgestampt, omdat het een nutteloos instrument lijkt om in ons dagelijks leven zinvol over de wereld te kunnen praten. Dromen zijn bedrog, verhalen zijn sprookjes voor kleine kinderen. Onze wereld vraagt een andere manier van spreken en denken, die nuttiger is. De taal die wij bezigen en aanleren is de spraak van de objectiviteit, de taal van de theorie. Zo nauwkeurig mogelijk beschrijven hoe iets in wezen is. Er van een afstandje naar kijken. Zo praten we over tijd bijvoorbeeld als een lijn van wieg naar graf, en wij leggen dan zogenaamd afstand af over die lijn. Maar… zo beleven we de tijd toch helemaal niet. We praten over dingen die “achter ons liggen” maar ervaren hoe het verleden in het nu springlevend is. Als we omkijken naar de mensen die ons leven hebben beïnvloed zien we niet de ene dichterbij en de andere ver weg, we zien ze allemaal als een wolk getuigen achter ons. Toch leren we ons met ons verstand weg te denken uit de beleving en de ervaring, om ons als het ware terug te trekken in een uitkijktoren. Om uit te torenen boven het doolhof van de werkelijkheid, met ons beschouwende verstand in het centrum.

Geloofstaal en geloofsverhalen gaan hier juist tegenin. Wie zich ervoor openstelt en zich erin verdiept, wordt uit de uitkijktoren van zijn verstand getrokken en met beide benen in de wereld gezet. Op twee manieren. Ten eerste door de vorm waarin geloofstaal op ons toe komt. De Bijbel staat vol visioenen en gedichten en verhalen, en dat soort teksten werkt anders dan een wetenschappelijke beschrijving, een spoorboekje of een gebruiksaanwijzing. Een verhaal nodigt je uit om met de verhaalfiguren mee te denken en te voelen. Je wordt even weggetrokken bij het idee dat jij zelf het middelpunt van je leven bent. Films kunnen ook zo werken. Maar Bijbelverhalen zijn meer dan een manier om weg te dromen en te vluchten uit de werkelijkheid. Ze trekken jou uit de veilige uitkijktoren van je verstand, maar niet om je vervolgens in een andere toren op te sluiten. Ze zetten je midden in de wereld; alle diepte- en hoogtepunten van een gewoon mensenleven kom je in de Schriften tegen.

Alle diepte- en hoogtepunten van een gewoon mensenleven kom je in de Schriften tegen. Maar dan wel een gewoon mensenleven beschreven vanuit een relatie met God. En dat is nog een tweede, sterkere middelpuntvliedende kracht die in de verhalen op ons inwerkt manier. Niet de mens is het middelpunt in de Bijbel, maar de mens-met-God. In Bijbelse taal wordt de wereld schepping genoemd, en een mens kan dus schepsel genoemd worden, maar het punt van die benaming is niet een scheppingstheorie. Het is geen theoretische taal, maar relationele taal. Bijbelverhalen spreken over de mens als een wezen dat in relatie staat. De mens schepsel noemen duidt op de ervaring van afhankelijkheid van een Schepper. Ook niet-bijbelvaste mensen kennen de ervaring dat er momenten zijn waarop je je aan de goden voelt overgeleverd. En dat er momenten zijn waarop je een gevoel van dankbaarheid in je op voelt wellen. Over jezelf als schepsel spreken geeft je een verhaal om die afhankelijkheidservaring een plek te geven. Maar je staat niet alleen. Want wie zichzelf schepsel noemt en God schepper creëert met dezelfde woorden een relatie met dat wat we schepping noemen, en met medeschepselen, mens en dier. De Bijbel laat ons door de ogen van God naar de wereld kijken, en zien dat we allemaal op dezelfde hoogte staan; ooghoogte om elkaar aan te kunnen kijken.

Dat is precies de beweging die het Woord aflegt, zowel in de tekst van Jesaja als bij Johannes. Het woord dat van ver komt, als een vreemd element onze wereld binnenkomt. Vreemd, want het is het woord van een God die niet met onze wereld samenvalt maar voor die wereld was of zich buiten de werkelijkheid schuilhoudt. Maar het woord dringt binnen in de diepste vezels van het bestaan. Het wordt mens. In het woord komt God op ooghoogte met mensen, met de schepping te staan. Hij/zij, doet ons als het ware voor hoe het eigenlijk bedoeld is. En zie, Jesaja voorziet hoe die beweging van het woord werkt als regen die de akker bevochtigt en de aarde vruchtbaar maakt. Zodat er in de toekomst goede oogst zal zijn, genoeg voor iedereen, zoals het was in den beginne. Het Kerstgedicht van Johannes roept ons op om, met God, af te dalen uit de torens van ons objectiverende verstand, de taal van de theorie los te laten als de enige taal om over mensen te spreken. Onszelf middenin de wereld te laten zetten, mens tussen de mensen, schepsel in de schepping, op ooghoogte te komen met anderen om ze te helpen opstaan uit hun ellende. Omdat dát de beweging is, die onze chaotische wereld maakt tot veilig mensenland.