Leestijd: ongeveer 3 minuten

Na een halve dag al begonnen de kreten en het gebonk. Het gedempte bonzen van vuisten op hout verstoorde het gestage suizen van de regen op het dak. Ik had tussen het voeren door de neiging terug te bonken. Val ons niet lastig! Laat me mijn werk doen. Scheer je weg! Maar naarmate de geluiden van buiten toenamen, het gebonk over ging van een ritmisch geklop in een razend geroffel en de stemmen niet kwaad meer klonken maar bang, doodsbang, waanzinnig bang, nam een stilte bezit van mij. De stilte van de dichtgeschroefde keel, van de maagspier in een verzurende kramp, van kleine parels zweet in het stof boven de opengesperde ogen van onze zonen en hun vrouwen. Langzaam maar zeker vond de stilte binnen een antwoord in toenemende stilte buiten.

Toen we met neergeslagen ogen onze emmers en onze hooivorken weer oppakten, voelden we hoe het water ons opnam. Wij dreven. We werkten. We meden de verblijven middendeks waar nog een onregelmatig kloppen te horen was, en een zwak roepen. Hoorde ik mijn naam?

Die avond was er alleen nog het ruisen van de regen. En wij zwegen. Wij snikten. Wij sliepen niet.

Teer aan de binnenkant. Teer aan de buitenkant van het pijnboomhout. Het houdt het water tegen dat door de open sluisdeuren van de hemel valt. Het houdt de oervloed tegen die van onderen op komt kolken. De geur van teer mengt zich met de geur van uitwerpselen en adem en warme dierenlijven, met het oude zweet in de hemden van mijn schoondochters dat mij, was ik een jongeman geweest nog wel van mijn taak had kunnen afleiden. Teer houdt de kieren dicht, houdt binnen wat binnen moet blijven en houdt tegen wat niet binnen mag komen. Behalve de geur van de dood. De stank die zich plakkerig als de rook van een houtvuur aan de slijmvliezen achterin onze neuzen hechtte en zich in onze kelen nestelde als een walgelijke vogel die met zijn ondergescheten vleugels onze huigen prikkelde tot we ervan kotsten. Maar alles went. Ook het beeld dat die geur in ons hoofd opriep van een schip dat drijft op een zee vol opgezwollen lijken, eetbaar wrakhout vol dobberende kraaien.

Ik moet bekennen dat ik gebeden heb of de regen die uiteindelijk veertig dagen en nachten zijn best deed alles onder de golven te laten verdwijnen alstublieft door het dak mocht breken. Ik zou hem ingedronken en opgesnoven hebben: om me schoon te wassen van de dood die aan mij kleefde en me in één beweging door te verlossen van mijn rechtvaardigheid waar ik ook niet om had gevraagd.

We zwegen en we werkten. Honderdvijftig dagen, iedere dag hetzelfde. We vreeën ook, soms. Een wanhopig grijpen naar houvast was het, een poging te verdwijnen in een niet bestaande diepte. Maar met iedere samentrekking in ons bekken werden wij meer en meer teruggeworpen, teruggebaard in ons lichaam, in ons hoofd, in deze kamer, in deze drijvende hoop vol stront en stro die ons huis was, onze wereld, onze hemel en onze hel.

De regen stopte. Het water zakte. We liepen vast. En toen de aarde drooggevallen was viel de poort in de zijkant van onze gevangenis open, kwamen de dieren in beweging en stormden zwijgend naar buiten om de wereld opnieuw te bevolken, gevolgd door mijn jongens en hun vrouwen die voor een tijd verdwenen tussen het groen.

Ik keek mijn vrouw in haar ogen en trok toen mijn kleren uit. “Je hebt het lichaam van een oude man gekregen,” zei ze. En ik zei dat ik me minstens zeshonderd voelde en niet wist of ik deze doodskist nog durfde te verlaten. We lachten niet.

Ik was naakt toen ik toch de ruimte van hout verliet en voor het eerst gras onder mijn voeten voelde. De koele avondwind bracht geur van olijfbomen en bloemen en vruchten met zich mee. De aarde opende zich voor me als een tuin.

Ik heb een wijngaard aangeplant. Ooit zal er een feest zijn, en dan moet er wijn zijn toch? Mijn kleinkinderen moeten verder in vreugde. Bovendien is de grond te vruchtbaar om niet te bebouwen. Als ik hurk en dichtbij mijn neus een aardkluit verpulver tussen mijn vingers, kan ik hem nog ruiken: de mest die de aarde heeft gehad.

Eelde/Groningen, 5777,
geschreven bij een schilderij van Peter Tholen, getiteld ‘En nu dan’

Lees ook het verhaal van Noach.