Leestijd: ongeveer 5 minuten

Vanaf het moment dat ik een kleine jongen was, wilde ik altijd alles weten. Mijn vader en moeder grapten wel eens naar elkaar, dat ik in de ‘waarom-fase’ was blijven hangen. Mijn opa vond het altijd prachtig. Hij woonde in het huis naast ons, ik zag hem elke dag. Hij vond dat vragen wel leuk, hij moedigde het zelfs aan! Hij gaf altijd de prachtigste antwoorden als ik wat vroeg. En als hij een antwoord niet wist, dan verzon hij er gewoon een. Heel geduldig was hij, als hij uitlegde hoe een regenboog zonlicht is dat dwars door het water heen schijnt, of dat zand eigenlijk uit gemalen rotsen bestaat. Dat de wereld een wonderlijke plek is en dat de mensen wonderlijke wezens zijn.

In het weekend maakten we lange wandelingen door het bos en dan leerde hij me de namen van de bomen. ‘Opa, waarom zijn de blaadjes toch groen en het gras?’
‘Groen is de lievelingskleur van God, jongen, en die herinnert de mensen aan het paradijs. Daarom worden ze zo rustig van groen. Daarom is groen op het stoplicht de kleur van veilig.’ Maar we hadden het samen ook over mensen en over de kinderen op school.

Ik moet een jaar of tien zijn geweest toen ik de woorden ‘geluk’ en ‘gelukkig’ leerde. Dat was bij juffrouw Lea, zelf niet de meest gelukkig uitziende juf als ik aan haar terugdenk. En thuis gekomen vroeg ik opa hoe het zat met gelukkig zijn.
‘Wat is nou precies geluk?’
‘Eh,’ zei opa, ‘geluk is een fijn gevoel van binnen,’ en zweeg toen. Voor het eerst was ik met zijn antwoord niet tevreden. Want hoe dan? Hoe word je gelukkig? Die vraag bleef me bezighouden.

De tijd ging verder, ik belandde op de middelbare school. De gesprekken met opa bleven. Toen ik dertien was, kwam ik op een keer opgewonden thuis.
‘Opa,’ zei ik.
‘Ja Ko,’ zei hij.
‘Opa ik weet het, ik weet hoe het zit met geluk. Geluk is iets dat je krijgt als je goed je best doet. En als je steeds zorgt voor andere mensen. Wie zich goed gedraagt krijgt het geluk dat hij verdient.’
Hij bleef een tijdje stil en zei toen: ‘Weet je, het wordt misschien eens tijd dat je de krant gaat lezen.’
Opa knipte elke dag een paar berichtjes voor me uit, en daar praatten we dan over. Berichtjes over leiders van landen die baadden in luxe terwijl hun onderdanen straatarm waren. Berichten over misdadigers die rijk werden terwijl eerlijke mensen omkwamen van de honger. Dat idee van rechtvaardigheid als oorzaak van geluk, je snapt het, raakte ik snel kwijt. Geluk is niet iets dat je met goed gedrag kunt afdwingen.

Toen ik 18 jaar was, kon ik gaan studeren aan de universiteit. Opa was apetrots op me. Ik ging, zoals te verwachten was, filosofie studeren. Echt een studie voor iemand die houdt van vragen stellen en antwoorden zoeken met je gedachten. Het ging erg goed! Als ik in de weekenden thuiskwam, was opa altijd erg geïnteresseerd in wat ik geleerd had.
Ik kwam in die tijd een nieuw idee tegen over geluk. Geluk is het gebrek aan ongeluk. Geluk is niet ongelukkig zijn. Als je feestviert, en een tikje teveel drinkt, ben je niet ongelukkig omdat je je zorgen even bent vergeten. Was dit een excuus om me eens flink in het nachtleven te storten? Ik zag het liever als een experiment.
Het was een fijne tijd was en ik dacht soms even dat ik het antwoord op de vraag naar geluk gevonden had. Maar diep in mijn hart wist ik beter. Deze manier van geluk is geen geluk. Het gaat voorbij zodra de roes van een feest weer voorbij gaat. Zo je geluk zoeken, is als het grijpen naar de wind.
Maar wat dan? Wat kunnen de mensen het beste doen in de weinige dagen die zij leven? Hoe worden zij gelukkig en… wat is nu precies geluk?

Toen ik voor mijn studie geslaagd was, vroegen ze me of ik door wilde leren. Ik wilde wel en ging onderzoeken wat beroemde filosofen geschreven hadden over geluk en gelukkig zijn. Dat leidde er uiteindelijk toe, dat ik doctor in de filosofie werd en een baan kreeg aangeboden aan een buitenlandse universiteit. Ik ging goed verdienen, had een mooi appartement en mooie kleren. Ik had het echt goed. En het werd belangrijk voor me om steeds meer te verdienen. Ik wilde me nog beter, nog gelukkiger voelen. Ik vertelde mijn opa een keer dat ik eindelijk doorhad hoe geluk in elkaar zit: geld, inkomen, een goed leven hebben. Opa dacht daar een beetje anders over, en vertelde over de boerderij van zijn ouders. Hoe gelukkig hij was toen hij in de oorlog de blijdschap zag van de mensen die op hun fiets eten kwamen zoeken, op het moment dat zijn ouders hun het eten niet verkochten maar gaven. Ik luisterde niet echt. Ik had immers het antwoord op mijn levensvraag gevonden! Ik schreef er een boek over, dat veel werd verkocht. Collega’s noemden me ‘Professor Geluk’.

Kort geleden werd ik gebeld door mijn moeder. Het ging slecht met opa, of ik snel thuis wilde komen. Ik heb me echt heel erg gehaast, maar toen ik thuiskwam was hij al gestorven. De dominee op de begrafenis had het over dankbaar zijn voor al de herinneringen die je aan iemand kunt hebben. Toen ik na de begrafenis naar huis toe reed, moest ik daaraan denken.

Verdriet is iets vreselijks trouwens. Je kunt niet meer genieten van wat je hebt. Alles wat je hebt gespaard en vergaard, je mooie huis, je spullen, je kleren -het raakt je niet meer, het doet je niets meer. Verdriet ontneemt de dingen hun gelukkige glans. Opa’s dood maakte plotseling een einde aan mijn geluk. Ik had het al die tijd verkeerd gehad. Wat moet een mensenkind doen in dit korte leven onder de zon? Wat stelt je geld voor als je dood kunt gaan en wat stelt wat je hebt voor als je vrienden overlijden? Het goede leven heeft in wezen niets met diep geluk te maken.

Was ik dankbaar voor de herinneringen aan opa? Ja! Ik dacht in de auto na over alle dingen die ik met hem beleefd had, onze gesprekken toen ik een kind was. En toen brak ineens de zon door. Verrassend warm streelden de stralen over mijn handen op het stuur en over mijn gezicht. Ik was in die tijd gelukkig geweest! En midden, dwars door mijn verdriet heen voelde ik iets van dat geluk in mijn binnenste en ik moest glimlachen. Opa…

Het komt nog wel eens voor dat een van mijn collega’s me vraagt naar mijn project, mijn onderzoek naar geluk. Dan glimlach ik meestal even en zeg: ‘Weet je: het gaat er eigenlijk helemaal niet om dat je weet wat gelukkig zijn precies is, of dat je precies weet welke dingen gelukkig maken. Het najagen van geluk is alsof je probeert de wind vast te pakken: waardeloze wijsheid. Het gaat er om dat je plotseling kunt beseffen: goddank, wat ben ik nu gelukkig. En die ervaring heeft niets te maken met wie je bent, wat je doet, of wat je hebt. Die ervaring overkomt je dankzij anderen. Die ervaring is echt een godsgeschenk.’