Leestijd: ongeveer 3 minuten

Adelbert was 26 toen hij de kerk van Anloo binnenstapte en viel.

Nu is vallen niet zo vreemd. Ieder van ons wankelt wel eens, door een moment van onachtzaamheid, te veel met je hoofd bezig en te weinig met de grond waarop je je beweegt. Maar Adelbert viel terwijl… zijn voeten op de grond bleven staan met de rest van zijn lijf er keurig boven.

Adelbert, 26 en plotseling broodnuchter -je kent die gekke gewaarwording wel hoe de tijd lijkt te vertragen tot een slow motion en je je van elke vezel bewust bent voordat de klap komt- Adelbert viel uit zijn eigen lichaam.  Dus terwijl een deel van hem rechtop bleef staan, strekte een ander deel traag zijn armen om de klap op de kerkvloer op te vangen. De klap die niet kwam. Want Adelbert viel door de vloer.

Als het zijn lichaam was geweest dat viel, had ik gezegd ‘dwars door de vloer.’ Maar de Adelbert die viel gleed ongehinderd door de plavuizen en door wat daaronder was. Skeletten van rijke gelovigen die daar lang vergeten lagen. Hij passeerde de houten fundering. De resten van eerdere houten kerken waarover de stenen Magnus nu al eeuwen victorie kraaide.

Sneller viel hij nu. Door lagen zand, water en klei. En zoals je kunt verwachten wanneer iemand meer dan 20 seconden alleen maar valt, beginnen gedachten het innerlijk razen te overstemmen. Dus Adelbert merkte dat hij viel en dat zijn val niet stopte maar juist steeds sneller ging en hij dacht: dit was het dus. Nu maar wachten op de fotocollage die hem zijn veel te korte leven zou laten zien met alle hoog- en dieptepunten en dan… god wat zou er dan nog volgen? Het grote niets? Zoetsappig engelengezang? Helse hitte en eeuwige kwelling waar de pastoor hem naar verwenst had? In wiens ogen hij een klaploper was, een zwerver en fantast. Enkel omdat hij zijn vrijheid niet wilde uitleveren in ruil voor religieuze angst. En er schoot door hem heen dat hij voor hij binnenging nog tegen de kerkmuur had aangezeken…

Het werd weliswaar steeds warmer om hem heen, maar die warmte leek hem niet te deren. En de diapresentatie van zijn geboorte tot zijn voortijdig graf diende zich niet aan. En zijn vallen leek een eeuwigheid te duren. Hij viel zo lang dat hij opeens niet bang meer was te vallen. En Adelbert realiseerde zich toen pas dat hij daar altijd bang voor was geweest. Bij alles wat hij deed was er blijkbaar die behoedzaamheid dat hij niet los zou laten en niet losgelaten zou worden. Want als hij zou vallen waar was dan de grond onder zijn bestaan? Maar nu, in vrije val, ontdekte hij dat zijn hang naar vrijheid óók niets meer was dan een zich vastklampen aan een idee van wat vrijheid moest zijn. Om maar niet te vallen.

De hitte waarvan hij wist dat die er was, maar die hij niet voelde nam toe, toen Adelbert steeds zachtere lagen doorgleed in zijn val. Gesmolten gesteente, magma, hét bewijs dat de vaste grond die we onder de voeten denken te hebben niet zo vast is als we denken. Maar daaronder ligt de vaste aardkern die niet beweegt of wankelt en daar zag hij niets meer. Hij voelde alleen nog maar dat hij viel. En in het donker gaf hij zich over aan zijn vallen. Zijn vallen door de aarde.

Dwars door de kern van de aarde viel Adelbert. En toen was hij aan de andere kant van de kern. Hij bleef vallen, dat voelde hij, maar hij bedacht zich dat het niet meer naar beneden was dat hij viel nu. De kern voorbij, dwars door het middelpunt, viel hij nu omhoog. Was zijn vallen nog wel vallen, of was het nu het omgekeerde? Of viel hij nu naar buiten in plaats van naar binnen? Wat was binnen en wat buiten, de kern, wat onder en wat boven voor iemand die alleen maar viel…

Door lagen magma, toen gesteente, grond, klei, zand en water een houten fundering en met een klap maar zonder te breken kwam Adelbert neer op zijn voeten in het lijf dat keurig in de deuropening van de kerk van Anloo stond.

Alleen van binnen trilde hij nu. Het was nog donker buiten maar de eerste merels floten al en binnenin hem leefde alles. Hij was gevallen uit zichzelf en viel uiteindelijk in zichzelf terug. Maar hij had gezien hoe enorm de aardlaag is die onze voeten draagt. Hoe dichtbij nog de mensen en de geschiedenis die ons zijn voorgegaan. Hoe kostbaar het licht van de dag.

Adelbert was dezelfde nog, nou ja, misschien niet helemaal. De Adelbert die zich omdraaide en in het eerste daglicht de kerk van Anloo verliet was onzichtbaar anders. En als daar een woord aan gegeven moest worden, dan zouden we zeggen “binnenstebuiten.” Of in elk geval “ondersteboven”.

Adelberts Val heb ik geschreven voor de opening van kunstexpositie Art Project in de Magnuskerk te Anloo, bij de werken van Hieke Veenstra en Kitty Boon.

Meer verhalen lezen? Koop dan mijn E-book