Voor het kindergedicht “Mensen zijn als bomen” klik hier.

Als mensen bomen zijn
hun voeten de wortels
hun benen als stammen
knoestige inborst
hoofden vol dromen
de kroon op het werk.

Als mensen bomen zijn
gevoelens, gedachten
als vogels verborgen
tussen de bladeren
je hart hoort ze soms
vaak zie je ze niet.

Als mensen bomen zijn
takken en wortels gestrekt
naar hemel en aarde
naar God en naar mensen

hoe ze ook vallen
ze worden
opgevangen.

Kaj van der Plas –

Lees ook mijn gedicht over iemand die het leven uit glijdt: afvaart.

Mensen zijn als bomen
Mensen zijn als bomen,
Als je aan een boom zou vragen:
hé boom, sta jij nou graag alleen?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
geef mij maar boompjes om me heen.

Zou je aan je vader vragen:
Hé vader, sta jij graag alleen?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
geef mij maar mensen om me heen.

Als je aan een boom zou vragen:
aan wie geef jij het leven door?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
daar heb ik nou mijn takken voor.

Zou je aan je moeder vragen:
aan wie geef jij leven door?
Dan zou ze, denk ik zeggen:
ja, kijk, daar heb ik jou nou voor.

Zou je aan je oma vragen:
jouw leven, waar komt dat vandaan?
Dan zou ze denk ik zeggen:
van oma’s die niet meer bestaan.

Dus bomen zijn als mensen:
geen van twee staat graag alleen,
in kinderen en takken, zo groeit
er leven om ons heen.

Jij, je vader en moeder,
dat is een soort van levensboom;
die tak een eindje verder,
dat is een tante of oom.

Maar die opa’s en oma’s die
jaren terug gestorven zijn?
Ja, kijk, ik zal maar zeggen,
dat zullen wel de wortels zijn.

Gedicht toegeschreven aan Adri Bosch