Leestijd: ongeveer 1 minuut

Dood is helemaal niets.
Ik ben enkel weggegleden naar de volgende kamer.
Ik ben ik en jij bent jij.
Wat we voor elkaar waren,
dat zijn we nog.

Noem me bij mijn welbekende naam.
Praat tegen me met het zelfde gemak
als je dat altijd deed.
Leg niets anders in je stem.
Wees niet overdreven ernstig of bezorgd.

Lach zoals we altijd lachten –
al die kleine grapjes waar we samen plezier om hadden.
Speel, glimlach, denk aan me, bid voor me.

Laat mijn naam het gewoonste woord zijn
zoals hij altijd was.
Spreek hem uit zonder nadruk,
zonder een spoortje schaduw erin.

Leven betekent alles wat het ooit betekende.
Het is zo als het altijd was.
Er is absoluut ononderbroken continuïteit.
Is de dood niet slechts een te verwaarlozen moment?

Waarom zou ik uit je hart zijn
omdat ik uit je oog ben?

Ik wacht op je,
voor een tussentijd,
ergens heel dichtbij,
net om de hoek.

Alles is goed.
Niets is voorbij, niets verloren.
Een kort moment en alles zal weer zijn zoals het was.
Wat zullen we lachen om de moeite van het afscheid
wanneer we elkaar weer ontmoeten!

Uit een preek van Henry Scott Holland, 1847-1918
vertaling: Kaj van der Plas