Het ging op school over God.
Want de kinderen hadden van alles over God gevraagd.
Wie is God nu eigenlijk? vroegen ze. En waar woont hij? En wat doet God?
Helpt God mensen en hoe dan?
Allemaal vreselijk moeilijke vragen.

‘Ik weet niet wat ik moet antwoorden’ zei juf Ellen.
‘Maar staat het antwoord dan niet in de bijbel, het boek met verhalen over God?’

Toen begon juf te vertellen:
‘Mensen zeggen dat God woont in de hemel.
Maar ze zeggen ook dat God woont bij de mensen.
En zelfs zeggen mensen dat God een huisje heeft in ons hart.
Dus waar woont God?’

En juf vertelde ook:
‘Er wordt gezegd dat God mensen helpt,
door ze beter te maken als ze ziek zijn,
of ze te redden uit gevaar.
Maar er wordt ook gezegd dat God ervoor
zorgt dat mensen elkáár helpen.
En zelfs wordt gezegd dat God helemaal niets doet,
maar afwacht en kijkt wat er gaat gebeuren.
Dus wat doet God?’

En als laatste zei juf Ellen:
‘Wie is God nu eigenlijk?
In de bijbel staan verhalen waarin God ‘Vader’ wordt genoemd,
een vader die voor je zorgt.
Maar er staan in de Bijbel ook verhalen waarin God ‘Zoon’ wordt genoemd,
en mensen denken dan aan Jezus.
En dan heb je nog de verhalen waarin het gaat over de ‘Heilige Geest’
die mensen nieuwe gedachten en goede dromen brengt.
Dus wie is God?’

‘Nou? Wat denken jullie zelf?’
Juf keek vragend naar haar klas.
Er gingen allemaal vingers omhoog.
Maar sommige kinderen riepen hun antwoord al:
‘God woont in de hemel!’
‘God woont in je hart.’
‘God is onze Vader.’
‘De Heilige Geest is het belangrijkste!’
‘Nee Jezus.’
Steeds harder riepen de kinderen hun eigen antwoord.
Ze werden het niet eens. En toen ze allemaal iets geroepen hadden
wisten ze het zelf ook niet meer.
Ze keken vragend naar de juf.

‘Juf, wilt u vertellen wat het goede antwoord is? Wie heeft er nu gelijk?’
En juf Ellen zei: ‘Jullie allemaal!’